03-01-11

kunst in de 19e eeuw

Vrijheid, verstand en gevoel hebben de kunst van de 19e eeuw bepaald.
Het leidde tot verschillende stromingen:
  • De strenge, rationele stijl van het neoclassicisme, de kunststroming van de Verlichting, was populair bij de revolutionairen van de Franse Revolutie en Napoleon, en bleef tot 1850 de belangrijkste stijl. 
  • Daarnaast ontwikkelde zich kunst die vooral het gevoel tot uitgangspunt nam: de Romantiek. De romantische levensvisie werd geïnspireerd door Jean-Jacques Rousseau: hij vond intuïtie en gevoel belangrijker dan de rede. In eerste instantie toonde de Romantiek vooral sentiment, maar na verloop van tijd ook de dramatiek van de harde, eigentijdse werkelijkheid.  
  • Dit leidde vervolgens weer tot het Realisme, kunst die vooral de sociale werkelijkheid en de barre omstandigheden liet zien waarin veel mensen leefden.
Dit alles speelde zich af in de context van politieke, economische en technische omwentelingen. Zo droeg ook de ontwikkeling van de fotografie bij aan nieuwe vrijheid voor kunstenaars: 
  • het impressionisme nam de directe, objectieve waarneming tot uitgangspunt.
  • de vroege expressionisten en symbolisten kozen weer een subjectieve benadering, waarin het gevoel en de fantasie uitgangspunt werd.
Al deze ontwikkelingen begonnen met revoluties. Politieke revoluties maakten korte metten met het absolutisme en legden de grondslag voor democratie, en de industriële revolutie leidde tot een nieuwe klassenmaatschappij met de bourgeoisie als nieuwe elite.


klassieke inspiratie

Rond 1750 waren Pompeiï en Herculaneum ontdekt, Romeinse steden die in de eerste eeuw onder de lava van de Vesuvius werden bedolven en daardoor vrijwel intact konden worden blootgelegd. Deze archeologische vondst inspireerde kunstenaars en architecten. De klassieke kunst, met evenwichtige, harmonische composities en vaste maatverhoudingen zonder overdreven versieringen, inspireerde de nieuwe kunststijl van de burgerij:
het neoclassicisme. De hofkunst, met stijlen als Barok en Rococo, moest plaats maken voor de burgerlijke kunst. De machthebbers van de revolutie, zoals Napoleon, werden geleid door de filosofie van de Verlichting en hadden sterke voorkeur voor deze kunst die beredeneerd was, die te begrijpen was met het verstand.

wetenschap, techniek en staatsvorming

Met het neoclassicisme brak een nieuwe tijd met belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen:


  • Het rationalisme
(nadruk op het denkvermogen, het logische verstand).
 

James Watt - uitvinder van de moderne stoommachine
  • Technische ontwikkelingen kondigden de industriële revolutie aan. Eerst in Engeland rond 1750 en vanaf 1800 in de rest van Europa. De stoommachine, elektriciteit, straatverlichting, de eerste fietsen, de aanleg van spoorverbindingen, de post, kranten, de telegraaf en later de telefoon maakten de wereld kleiner. Toepassing van (giet)ijzer, staal en gewapend beton in de bouwkunst. Synthetische kleurstoffen namen de plaats in van dure pigmenten als vermiljoen, indigo en lapis lazuli. Verf hoefde niet meer in het atelier gemaakt te worden, maar kwam beschikbaar in tubes.
  • In 1789 verving de Franse revolutie
de middeleeuwse maatschappijstructuur (gezag en macht in een hand) door de Verlichting. Het gezag van kerk en staat werd afgewezen. 'Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap' bracht democratie: de trias politica kwam in de plaats van het absolutisme. 
  • Opkomst van de burgerij.
Het neoclassicisme werd door de nieuwe bestuurders omarmd, omdat zij zich spiegelden aan de Griekse democratie en het bestuur van Romeinse heersers. Een gevolg was ook dat het kunstonderwijs en expositiebeleid in Frankrijk in de 19e eeuw sterk gestuurd en gecontroleerd werden door de overheid.
  • De wetenschap ontwikkelde zich, er was veel behoefte aan kennis.
Diderot maakte de eerste encyclopedie, de gebroeders Grimm verzamelden volkssprookjes, flora en fauna werden systematisch in kaart gebracht. Darwin ontwikkelde de evolutietheorie. De geschriften over kunst van de Romein Vitruvius uit circa 25 voor Christus vormden een belangrijk richtlijn voor de classicistische kunstenaars en architecten. In de 19de eeuw werd het verleden ook -voor het eerst- wetenschappelijk benaderd. Nu ontstonden kunstgeschiedenis en muziekgeschiedenis als wetenschap. Kunst werd 'objectief' benaderd en geordend, zonder esthetische vooroordelen.

context

de Franse revolutie
Al voor de Franse Revolutie in 1789 werd er gediscussieerd over vrijheid en gelijkheid. In Frankrijk regeerde Lodewijk XVI nog als absolutistisch vorst, de koning en adel vormden het Ancien Régime. Zij lieten de burgers en boeren hoge belastingen betalen om de luxueuze hofhouding in Versailles te kunnen bekostigen. Er groeide steeds meer verzet tegen dit klassensysteem en het gebrek aan inspraak. Burgers en boeren hadden weinig te eten door mislukte graan- en aardappeloogsten. Zij kwamen in opstand en eisten dezelfde rechten als de adel. Op 14 juli 1789 bestormde het volk de Bastille, waar wapens en munitie lagen opgeslagen. Het was het begin van de Franse Revolutie.



Hierop volgde een vergadering van de Staten-Generaal, waarin kerk en staat werden gescheiden en een verklaring van de rechten van de mens werd opgesteld, vergelijkbaar met de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring. De Franse grondwet werd aangepast: burgers kregen dezelfde rechten als de adel en de hogere geestelijkheid. Ook de boeren hadden zich met succes verzet tegen de feodale rechten en de heffingen die zij aan grootgrondbezitters hadden moeten betalen, men maakte een einde aan de vele privileges van de hogere standen. 

Ook de Amerikaanse revolutie, waarmee de kolonie Amerika zich losmaakte van Engeland, had geleid tot de vorming van een democratische staat. In andere Europese steden braken in de jaren daarna ook revoluties uit, mede als gevolg van de slechte economische toestand. Ook dit verzet hadden resultaat: in veel landen kwamen nieuwe grondwetten, waarin liberale vrijheden opgenomen werden. Het leidde tot politieke en maatschappelijke stromingen als het nationalisme, liberalisme, het socialisme en tot een voorzichtig begin van emancipatie.


de industriële revolutie
kinderarbeid in een katoenspinnerij

De Verlichting had ook natuurwetenschappelijke ontwikkelingen tot gevolg gehad. In Engeland leidde dat de industriële revolutie: rond 1750 had de stoommachine het industriële tijdperk ingeluid. De stoommachine maakte massaproductie van producten mogelijk. Deze konden nu met stoomtreinen en stoomschepen naar alle windstreken (koloniën) vervoerd worden. Met de economische vrijheid, de industriële ontwikkelingen en de intensieve handel ontwikkelde zich het kapitalisme, waarvan echter vooral een kleine groep fabriekseigenaren profiteerde. Daartegenover stond een grote groep arbeiders die hun werk in zeer slechte omstandigheden moest doen en slecht betaald kreeg. De bourgeoisie vormde nu een nieuwe bovenlaag van de bevolking en bedreigde de positie van de adellijke aristocratie.

een nieuwe klassenmaatschappij


De 19de eeuw bleef dus gekenmerkt door grote verschillen in stand, dat heette nu alleen 'klasse'. De kloof tussen arme arbeiders en rijke industriëlen groeide snel. Arbeiders (door Marx ‘proletariërs’ genoemd) leefden vaak met hele families in één kamer. Er was weinig werk voor de vele mensen die van het platteland naar de stad getrokken waren en werkgevers maakten daar misbruik van. Wie protesteerde tegen de lange werkdagen en het schamele loon kreeg ontslag. De bourgeoisie, de nieuwe rijke sociale klasse, bestond uit handelaars en fabriekseigenaren. Zij lieten prachtige woningen ontwerpen, rijkelijk voorzien van neoclassicistisch meubilair. Ook de adel en geestelijkheid had nog macht en rijkdom weten te behouden, maar zij moesten hun status nu delen met handelaren en industriëlen.

De onvrede met de sociale omstandigheden riep bij veel mensen ook conservatisme op, een verlangen naar vroeger, waarin alles nog authentieker en puurder leek te zijn geweest. 
In de kunst ontstond een ontwikkeling vanuit het individu: de kunstenaar maakte zich los van zijn opdrachtgevers. Hij wilde zijn eigen gevoelens uitdrukken, zijn eigen visie weergeven, zijn hoop en zijn angsten tonen. Kunstenaars namen hun eigen creativiteit als uitgangspunt. Vanuit artistieke oprechtheid onderzocht de kunstenaar uit de Romantiek zijn persoonlijke gevoel en ervaring. De Franse Revolutie had bewezen dat het verstand geen goede leidraad was, daarom richtten kunstenaars zich op hun eigen innerlijke kompas. 

In 1848 kwamen de filosofen Karl Marx en Friedrich Engels met hun Communistisch Manifest, waarin zij de kant kozen van de onderdrukte fabrieksarbeiders en voorstellen deden tot vernieuwingen. In dit klimaat ontstond de nieuwe stroming: het Realisme.  

vrouwenemancipatie

In de 19e eeuw mochten vrouwen uit de hogere klasse niet werken, zelfs de straat op gaan was onfatsoenlijk. Vrouwen uit de lagere klasse moesten wel werken om in hun onderhoud te voorzien. Enkele vrouwen kwamen in actie voor economische onafhankelijkheid van de vrouw. Bekijk de documentaire: vrouwen voorwaarts!

begrippen

Verlichting
- stroming die in de 18e eeuw het denken veranderde door de nadruk te leggen op op de Rede, het verstand, en weer aan te sluiten bij inhoud en vorm van de klassieke oudheid.

Industriële revolutie - de omvorming van een agrarische naar een industriële samenleving door middel van machines.

Zie ook: De ijzeren eeuw